De 25 meest gemaakte fouten in de tafeltennisregels
De meeste fouten in de tafeltennisregels ontstaan doordat spelers de regels op de camping of in de kantine hebben geleerd, of ze verwarren met een andere sport met een net. Hieronder staan de 25 die wij het vaakst zien, met in één zin wat er wel geldt.
Bij de service
- De bal uit de hand slaan. De bal ligt stil op je open, vlakke hand en gaat minstens 16 centimeter bijna recht omhoog voordat je hem slaat.
- De bal verbergen achter je arm of je schouder. De ontvanger ziet de bal de hele tijd; je vrije arm gaat na de opgooi weg uit de ruimte tussen de bal en het net.
- Slaan terwijl de bal nog stijgt. Je slaat de bal pas als hij daalt.
- De bal meteen over het net slaan. De service stuit eerst op je eigen helft en daarna op die van de ontvanger.
- Denken dat je een tweede kans hebt. Je hebt er één; elke fout is een punt voor de ontvanger.
- Een netservice als fout rekenen. Een netservice die verder goed is, is een let: je serveert opnieuw, zo vaak als het gebeurt.
- Een mislukte opgooi overdoen. De bal is in het spel zodra hij stil op je hand ligt; een misser is een fout en een punt voor de ontvanger.
- Denken dat de service in het enkelspel schuin moet. De bal mag overal op de helft van de ontvanger stuiten; alleen in het dubbel gaat hij van rechts naar rechts.
Tellen en de wedstrijd
- Bij 11-10 de game voorbij verklaren. Vanaf 10-10 win je met twee punten verschil, zonder plafond.
- Denken dat de service wisselt als de ontvanger het punt wint. De service wisselt na elke twee gescoorde punten, wie ze ook won.
- Vanaf 10-10 twee services blijven slaan. Vanaf 10-10 wisselt de service na elk punt, in dezelfde volgorde.
- De volgende game weer beginnen met serveren. Wie in een game als eerste serveerde, ontvangt in de volgende game als eerste.
- In de laatste game vergeten van tafelhelft te wisselen. Je wisselt zodra een van beiden 5 punten heeft, en de stand blijft staan.
- De stand roepen met de punten van de ander eerst. De serveerder roept zijn eigen punten eerst.
In de rally: kantbal, net en blokkeren
- Een kantbal betwisten. De bovenrand hoort bij het speelvlak en is goed; alleen de zijkant van het blad is fout.
- Een bal boven de tafel uit de lucht slaan. Dat is blokkeren en kost het punt, ook als de bal uit zou gaan; laat hem gaan, dan is het punt voor jou.
- Een netbal in de rally overspelen. Alleen bij de service is een netbal een let; in de rally speel je door als de bal op de goede helft valt.
- Met je vrije hand op de tafel steunen. Zolang de bal in het spel is, kost dat het punt; je bathand mag de tafel wel raken.
- Elke dubbele slag fout rekenen. Alleen opzettelijk twee keer slaan kost het punt; per ongeluk via je vinger en dan je bat is goed.
- Denken dat een bal om het net heen fout is. Over of om het net is allebei goed, zolang de bal de helft van de ander raakt.
Dubbelspel, gedrag en herstel
- In het dubbel de speler laten slaan die het beste staat. De volgorde ligt vast: serveerder, ontvanger, partner van de serveerder, partner van de ontvanger.
- In het dubbel naar het linker halve vlak serveren. De service gaat van jouw rechter halve vlak naar het rechter halve vlak van de ontvanger; de middellijn telt mee.
- Na een verkeerde serveerder de punten schrappen. Je herstelt de volgorde zodra je het merkt, en alle punten blijven staan.
- Tijdens de rally advies roepen. Advies mag op elk moment behalve tijdens de rally, en zonder het spel te vertragen.
- Met het bat op de tafel slaan. Dat is wangedrag: eerst een gele kaart, daarna punten voor de tegenstander.
Herken je er een paar? Dan ben je niet de enige. In de cursus TAFELTENNIS 58 komen ze allemaal langs, met een oefenvraag bij elke regel, zodat je ze aan de tafel niet meer maakt.