TAFELTENNIS 58 — Leer en Speel

Welke slagen heb je nodig bij tafeltennis?

Als beginner heb je zes slagen nodig en twee services: de contra, het schuiven, de topspin, het blok, de smash en de flip, plus de korte service met onderspin en de lange service met zijeffect. De eerste maanden gebruik je vooral de contra en het schuiven; de rest komt zodra die twee zitten.

De zes slagen van tafeltennis van opzij: de contra vlak over het net, de schuifbal laag en kort, de topspin in een boog die na de stuit wegspringt, het blok kort na de stuit met een stil bat, de smash steil naar beneden en de flip kort boven de tafel
De zes slagen van opzij, met de weg van de bal: vlak voor de contra en het blok, laag en kort voor de schuifbal en de flip, in een boog voor de topspin, steil omlaag voor de smash.

Contra en schuiven: de basis

De contra is de vlakke tegenslag van vlak achter de tafel, ook wel drive genoemd: tegen een vlakke bal of een bal met licht bovenspin, om de bal met controle en tempo in het spel te houden. Schuiven is de korte onderspinbal over de tafel, tegen een korte bal met onderspin, zoals een korte service. De bal blijft laag en kort, zodat de ander ook moet schuiven.

Topspin en blok: aanval en antwoord

De topspin is de aanvalsslag met veel bovenspin, tegen een bal die iets langer komt: de bal duikt na het net omlaag en springt bij de stuit weg. Het blok is het antwoord op de topspin van de ander: je zet het bat vlak na de stuit voor de bal en gebruikt zijn snelheid. Het blok is iets anders dan blokkeren uit de spelregels: bij een blok stuit de bal eerst op jouw helft.

Smash en flip

De smash is de harde afmaker tegen een hoge bal, ruim boven nethoogte. De flip is de korte aanval boven de tafel, tegen een korte bal die je liever aanvalt dan schuift, om de ander te verrassen die een schuifbal verwacht. De flip komt aan de beurt zodra de contra en het schuiven zitten.

De korte en de lange service

De korte service heeft onderspin en is zo kort dat de bal twee keer op de helft van de ander zou stuiten; de ontvanger moet schuiven en jij krijgt de derde bal. De lange service is snel en heeft zijeffect, tot op de eindlijn van de ander, om te verrassen en tijd af te pakken. Begin beide met dezelfde beweging.

De plaatsing van bovenaf: een tafelhelft met drie doelen, een lange bal vlak voor de eindlijn, een korte bal net achter het net die twee keer stuit, en de ellebooghoek op de plek waar de speler tussen forehand en backhand moet kiezen
Waar je de bal heen speelt: diep op de eindlijn, kort achter het net met een tweede stuit, of op de ellebooghoek.

Shakehand of penhouder

Bijna iedereen in Nederland speelt shakehand: je pakt de greep alsof je iemand een hand geeft, met de wijsvinger langs het ene rubber en de duim op het andere. De penhouder houdt het bat vast zoals een pen, met duim en wijsvinger om de greep; die greep komt uit Azië en geeft een snelle pols. De slagen zijn voor beide grepen gelijk.

Effect lezen aan het bat van de ander

Effect is de draai van de bal, en het bat van de ander verraadt welke draai eraan komt. Kijk dus eerst naar het bat, dan pas naar de bal.

Het bat van de ander beweegtHet effectWat de bal op jouw bat doetWat jij doet
van hoog naar laagonderspinwil omlaag, in het netbat open, optillen of schuiven
van laag naar hoogbovenspin (topspin)springt omhoog en naar vorenbat gesloten, naar voren spelen of blok
opzijzijeffectwijkt af in de richting van zijn batnaar de andere kant richten

Wil je meer dan alleen deze regel kennen?

Herken de zes slagen en weet wanneer je welke slaat; de techniek zelf leer je in de cursus. Deze regel geeft antwoord op één situatie. Met de complete cursus begrijp je hoe spelregels, termen en spelsituaties samenhangen. Zo sta je met meer zekerheid aan de tafel en voorkom je onnodige discussie.

De cursus, vanaf € 14,99 per speler

Bekijk de pakketten